Johnnie Walker
Samenvatting
Op een lauwwarme maandagavond in de nazomer van 1977 reed ik op mijn bromfiets naar een gehucht waarvan ik zeker wist dat niemand me daar kende, een boerengat aan gene zijde van de Maas, de kant waarvan ze bij ons zeiden dat de inwoners ervan anders waren dan wij, simpeler, ouderwetser. Wij kwamen er nooit. Ik ging er naar toe om me te bedrinken.
Ik stopte bij een café met dichtgeweven vitrage voor ramen waarop in ouderwets glooiende letters ‘De vriendschap’ geschilderd was, stalde de Vespa met de achteloosheid waarmee een bestofte cowboy de teugels van zijn bezwete paard rond een balk slingert, opende de deur met een denkbeeldige riem schuin afhangend op mijn heupen, de holster met een revolver verborgen onder mijn ruimzittende jongenshemd. De filmscènes waarin John Wayne of Clint Eastwood de houten saloondeuren uit elkaar duwt, een cigarillo tussen de lippen geklemd, de rechterhand in de buurt van de niervormige greep van een colt, onverschrokken, alert, met dichtgeknepen ogen van pure concentratie, lagen ingeblikt klaar om mij op een dag als deze bij te staan, mij de moed te verschaffen in mijn eentje een vreemde ruimte te betreden en daar te doen wat ik me had voorgenomen.
Het was er aangenaam donker. Ik hou ervan als het verschil tussen buiten en binnen groot is, een genadige 40 watt het van de ongebreidelde zon overneemt, de natuur wordt geweerd, de contouren van de dingen vervagen. In de afgebakende wereld van het café gelden aparte wetten, is de voorstuwende kracht van de alledaagse tijd onklaar gemaakt, houden de gasten zich aan de stilzwijgende belofte dat we in deze ruimte gelijken zijn. Er zaten alleen mannen, een stuk of zes, verspreid over tafels waarop hoogpolige, perzische kleedjes lagen. Ze rookten sigaren, dronken bier, speelden kaart. Ze keken op, peilden me enigszins verbaasd maar zonder nieuwsgierig naar me te zijn, en keerden terug naar de veilige gemeenschap van gedeelde geuren en gebaren. Na een halfslachtige knik ter begroeting keerde ik ze de rug toe en sjorde me op een hoge, met rode skai beklede kruk aan de toog. De barman begroette me licht geamuseerd met de vraag wat hij kon betekenen voor de jongedame. Zoals ik me wekenlang had voorgesteld, noemde ik zo onnadrukkelijk mogelijk de drank die ik alleen kende omdat ik hem proefde op de lippen van Marius Hermus, mijn leraar en mentor, de man met wie ik vaak buiten schooltijd afsprak en af en toe naar bed ging. Ik hield van hem op een manier waarop ik in die tijd van de meeste mensen buiten mijn familie hield, niet al te diep, niet al te hevig, het afscheid al inbegrepen.
De barkeeper noemde de twee merken die hij in huis had.
‘Johnnie Walker’, zei ik.
Op die dag en op dat uur sloot ik aan gene zijde van de Maas een verbond met mijn liefste vijand, de man die de daaropvolgende veertig jaar mijn onafscheidelijke metgezel en geliefde zou zijn. Johnnie Walker rook bedwelmend, was stoer, trouw en bovenal onsterfelijk en ik kon me in de tientallen jaren die volgden het leven zonder hem niet voorstellen, al wist ik vanaf de eerste slok aan de toog van café ‘De vriendschap’ dat hij er alles aan zou doen om mij te vernietigen.

